TOURsten De kennis van TOURsten

Deutsch · English · Français · Čeština · Nederlands · Polski · Italiano

Geschiedenis van Pirna

1. Vuursteen, Slaven en de naam Pirna

Pirna ligt op een bijzondere plek: hier treedt de Elbe uit het nauwe dal van het Elbsandsteingebirge naar buiten, de wijde Dresdense Elbtalweite in. Wie stroomopwaarts reisde, liet achter Pirna het vlakke land achter zich; wie stroomafwaarts kwam, had de rotsen en kloven net achter de rug. Daarom noemt men Pirna tot op heden de poort naar de Sächsische Schweiz. Mensen hebben deze ligging al heel vroeg gewaardeerd. De oudste sporen zijn werktuigen van vuursteen die jagers en verzamelaars aan het einde van de laatste ijstijd achterlieten, tien- tot veertienduizend jaar geleden. Toen de mensen zich blijvend vestigden, kwamen op de vruchtbare lössbodems rond Pirna de eerste boeren wonen, de mensen van de bandkeramiek, meer dan zevenduizend jaar geleden. Later leefden hier volken uit de brons- en ijzertijd, en in de vierde eeuw voor Christus kwamen Germaanse stammen naar het Elbedal, die in de tijd van de Grote Volksverhuizing weer vertrokken. Rond het jaar 600 na Christus trokken Slavische families het gebied binnen, de voorouders van de Sorben. Zij rooiden het bos, stichtten dorpen en gaven veel plaatsen hun naam – Dohna, Zehista, Copitz, Pratzschwitz en vele andere plaatsnamen rond Pirna klinken tot op heden Slavisch. Ook de naam Pirna zelf stamt uit deze tijd. Taalkundigen voeren hem tegenwoordig meestal terug op een Oudsorbisch woord dat met gloeiende as of vuur te maken heeft. Misschien was hier een plek waar men het bos met vuur had gerooid, misschien een plaats waar vuren brandden. Helemaal zeker is dat niet, zoals zo vaak bij oude plaatsnamen. Een andere, veel aardigere verklaring vertellen de inwoners van Pirna elkaar al eeuwenlang: de naam zou van de peer komen, in het Duits Birne. In het stadswapen staat inderdaad een perenboom, en er bestaat een oude sage over, die ik u graag vertel als u naar de sagen van Pirna vraagt. De wetenschap houdt deze verklaring echter voor een latere, romantische uitvinding – de peer kwam waarschijnlijk pas in het wapen omdat de naam er zo op leek. De Slaven leefden lange tijd zonder heersers uit het westen. Dat veranderde toen de Duitse koning Heinrich I in het jaar 929 de burcht Meißen stichtte en het land aan de Elbe stap voor stap onder het gezag van het Rijk kwam. Geleidelijk ontstonden in de gouw Nisan, zoals men het gebied rond Dresden en Pirna noemde, burchten, kerken en Duitse nederzettingen. Op de rots boven de Elbe, waar vandaag Schloss Sonnenstein staat, stond vermoedelijk al in de elfde eeuw een burcht. Van daarboven kon men de rivier goed in de gaten houden – en daarmee de handel die erover heen en weer ging tussen Bohemen en het Meißner Land. Onder de burcht, aan de oever, ontstond een plek waar handelaren hun waren ruilden. Uit dit marktplein onder de burcht zou in de dertiende eeuw de stad Pirna groeien. Wanneer u vandaag op de markt van Pirna staat en omhoogkijkt naar de Sonnenstein, ziet u dus nog altijd de twee kiemcellen van de stad: boven de burcht, beneden de markt.

2. Burcht, markt en stadsrecht

In het jaar 1233 duikt Pirna voor het eerst op in een oorkonde. Het document regelt rechten tussen de keizer en de landsheren in de mark Meißen, en Pirna wordt daarin genoemd als een plaats die al een zekere betekenis had. Kort daarna, rond 1245, is Pirna een stad met eigen recht; stadsheer was de markgraaf van Meißen. De burcht op de rots wordt in 1269 voor het eerst uitdrukkelijk vermeld. Stadsrecht betekende in de middeleeuwen heel veel: de burgers mochten zichzelf besturen, een raad kiezen, markten houden en eigen rechtbanken hebben. Daarvoor beschermden zij hun stad met muren en poorten en betaalden ze belastingen aan de stadsheer. Pirna werd planmatig aangelegd, met een grote rechthoekige markt in het midden en straten die zich in een regelmatig raster daaromheen leggen. Dit grondpatroon kunt u in de oude binnenstad nog steeds aflezen: vanaf de markt lopen de Lange Straße, de Schmiedestraße en de Dohnaische Straße in de verschillende richtingen, zoals ze dat al meer dan zevenhonderd jaar doen. De stad leefde van de rivier. De Elbe was toen de belangrijkste verkeersader tussen Bohemen en de landen in het noorden, tot helemaal naar Hamburg. Uit Bohemen kwamen graan, hout en andere waren, in de tegenovergestelde richting zout, vis en lakense stoffen. Pirna lag precies daar waar de schippers na het doorkruisen van het gebergte een veilige haven en een markt vonden. Al snel kreeg de stad een voorrecht dat haar rijkdom vestigde: het stapelrecht. Het verplichtte de schippers die Pirna passeerden, hun waren hier een bepaalde tijd uit te laden en aan de burgers van Pirna te koop aan te bieden. Pas daarna mochten zij verder varen. Voor de kooplieden van de stad was dat een glansrijke handel: zij hadden als eersten toegang tot alles wat over de rivier naar beneden kwam en konden het met winst doorverkopen. Voor de schippers was het een ergernis, en ruzie met Dresden en andere steden bleef niet uit. In de loop van de dertiende eeuw wisselden de heren over Pirna meermaals. Een tijdlang had de bisschop van Meißen rechten op stad en burcht, dan weer de markgraaf. In het jaar 1293 volgde een wisseling die de geschiedenis van Pirna meer dan een eeuw zou bepalen: koning Wenceslaus II van Bohemen verwierf stad en burcht. Pirna werd Boheems – en bleef dat tot het jaar 1405. Voor de inwoners van Pirna was dat geen ongeluk. Bohemen was onder zijn koningen uit het huis van de Přemysliden en later de Luxemburgers een rijk en machtig land, en Praag was een van de grote steden van Europa. Een handelsstad aan de grens met dit land, aan zijn belangrijkste rivier, had goede vooruitzichten. Hoe Pirna deze Boheemse tijd beleefde, vertel ik u in het volgende hoofdstuk.

3. Een Boheemse stad aan de Elbe

Ruim honderd jaar lang, van 1293 tot 1405, behoorde Pirna tot het koninkrijk Bohemen. De Boheemse koningen wisten wat ze aan deze stad hadden en bevorderden haar. In 1325 bevestigde koning Johann van Bohemen, Jan de Blinde genoemd, uitdrukkelijk de privileges van de stad, vooral het waardevolle stapelrecht. Johann is een van de kleurrijkste figuren van de middeleeuwen: een ridderkoning die door heel Europa trok en die, hoewel hij op latere leeftijd blind was geworden, in 1346 in de slag bij Crécy in Frankrijk in de voorste linie sneuvelde. Zijn zoon Karl werd als Karel IV Rooms-Duits keizer en maakte van Praag een schitterende residentie. In 1351 vond in Pirna zelfs een vorstendag plaats, een bijeenkomst van vorsten onder leiding van Karel, waarop geschillen over de mark Brandenburg werden behandeld. Voor een landstadje aan de Elbe was dat een grote eer. In deze tijd ontstond ook het dominicanenklooster. Rond 1300 vestigden zich monniken van de Orde der Predikheren in Pirna, in 1307 wordt het klooster voor het eerst genoemd. De dominicanen waren een bedelorde die in de steden predikte en onderwees. Hun kloosterkerk St. Heinrich is een sobere tweebeukige hallenkerk met waardevolle muurschilderingen uit het begin van de vijftiende eeuw. Van de kloostergebouwen zijn de kapittelzaal en het zomerrefter bewaard gebleven; rond de kloosterhof is vandaag het Stadtmuseum gehuisvest. Al in 1317 wordt bovendien een school in Pirna vermeld. Rond 1400 belandde de streek in een gewelddadige tijd. De burggraven van Dohna, een oud adellijk geslacht met zetel op de burcht boven het Müglitztal, lagen in een verbitterde vete met de markgraaf van Meißen. Deze Dohnaische vete begon volgens de overlevering met een ruzie tijdens het dansen in Dresden en escaleerde tot een regelrechte kleine oorlog met overvallen en belegeringen. Uiteindelijk verloren de heren van Dohna alles: hun burcht werd veroverd, hun heerschappij vernietigd. De markgraaf van Meißen benutte de gelegenheid om zijn macht in het hele gebied uit te breiden, en in de jaren 1404 en 1405 kwam ook Pirna aan het markgraafschap Meißen. Vanaf toen was Pirna een Meißense en later Saksische stad. Helemaal afgehandeld was de kwestie echter nog niet: formeel bleef Pirna een leen van de Boheemse kroon, en pas het Verdrag van Eger in het jaar 1459 regelde de grens tussen Saksen en Bohemen voorgoed – in grote lijnen tot op de dag van vandaag. De grens die u bij een uitstapje naar Tsjechië oversteekt, gaat grotendeels terug op dit verdrag. Als u wilt, vertel ik u daar graag meer over. Het Boheemse verleden heeft in Pirna sporen achtergelaten, niet alleen in de oorkonden. De nauwe band over de rivier bleef bestaan, handel en familiebanden reikten ver tot in Bohemen. En toen in de zeventiende eeuw protestantse Bohemers hun vaderland moesten verlaten, vonden duizenden van hen uitgerekend in Pirna een toevlucht – maar dat is een verhaal voor een later hoofdstuk.

4. Stapelrecht, schippers en zandsteen

In de vijftiende en zestiende eeuw beleefde Pirna zijn rijkste tijd. De stad was een handelsplaats van de eerste rang aan de Elbe, en de kooplieden werden welgesteld. Het stapelrecht dwong de voorbijvarende schepen in Pirna aan te leggen en hun waren aan te bieden. Daarbij kwamen tollen, markten en het geld dat voerlieden, vlotters en schippers in de herbergen van de stad achterlieten. In 1409 stond de landsheer een vrije weekmarkt op zaterdag toe. Op de Elbe voeren toen vrachtschuiten, die stroomafwaarts met de stroming meedreven en stroomopwaarts moeizaam moesten worden voortgetrokken. Dit werk deden mensen, de jagers of Bomätscher, die met touwen over de schouder langs de oever liepen en de zware schuiten stap voor stap stroomopwaarts sleepten. Het was een van de zwaarste beroepen die er bestonden. Later namen paarden deze taak over. De paden waarover zij liepen, de jaagpaden, kunt u op veel plekken langs de Elberadweg nog herkennen. Naast de handel bracht een tweede goed Pirna rijkdom: de zandsteen. In de groeven stroomopwaarts, bij Posta, Wehlen, Rathen en rond Pirna zelf, werd de stevige, goed te bewerken Elbezandsteen gewonnen. Vanuit Pirna ging hij per schip naar Dresden, Meißen, Maagdenburg, ja zelfs tot Hamburg en verder. Veel beroemde gebouwen in Noord-Duitsland en zelfs in het buitenland zijn gebouwd van zandsteen uit de omgeving van Pirna. De steenhouwers in de groeven en de steenhouwers-beeldhouwers hadden in Pirna een bijzondere status, en de stad werd een centrum van de bouwkunst. Hier bestond een bouwhut, een werkplaatsgemeenschap van steenhouwers en bouwmeesters, waarvan de meesters tot ver buiten Pirna gevraagd waren. De bekendste van hen was Peter Ulrich, Peter von Pirna genoemd, die met de grote stadskerk begon – daarover vertel ik in een apart hoofdstuk. De rijkdom van deze tijd ziet u nog steeds aan de oude binnenstad af. De kooplieden bouwden prachtige huizen met hoge gevels, erkers en vooral met zitnisportalen: huisingangen in waarvan de stenen omlijsting links en rechts kleine zitbankjes met kunstig vormgegeven schelpnissen zijn uitgehouwen. Daar zaten de heren des huizes en hun families, praatten met de buren en hielden het gebeuren op straat in het oog. Pirna bezit een van de grootste verzamelingen van zulke portalen in heel Saksen. Bijzonder mooi is dat van het Peter-Ulrich-Haus aan de markt, dat de bouwmeester in 1506 voor zichzelf bouwde – het geldt als een van de oudste en volmaaktste zitnisportalen van Saksen. Op de begane grond van dit huis was vanaf 1572 de eerste apotheek van de stad gevestigd. Een ander mooi portaal heeft het huis aan de Niedere Burgstraße 1, dat de bouwmeester Wolf Blechschmidt rond 1544 verbouwde, met een borstbeeld van de meester boven de ingang. Wanneer u door Pirna slentert, let dan eens op de ingangen: in bijna elke steeg vindt u zulke stenen zitplaatsen, sommige met wapens, jaartallen of inscripties. Ze vertellen over een tijd waarin Pirna een zelfbewuste, rijke stad was, die zich best met Dresden wilde meten.

5. Pirnisch Eisen – Pirna en het Bielatal

Een hoofdstuk uit de geschiedenis van Pirna leidt rechtstreeks naar uw accommodatie hier in het Bielatal. In de bergen ten zuiden van Pirna, rond Berggießhübel, Bad Gottleuba en in het dal van de Biela, werd sinds de middeleeuwen ijzererts gewonnen – een bijzonder rijk magnetieterts. Daaruit ontstond een heel landschap van smederijen met waterhamers, hoogovens en houtskoolbranderijen. Het ijzer uit dit gebied noemde men Pirnisch Eisen, naar de stad via welke het werd verhandeld en beheerd. In Berggießhübel is de ertsmijnbouw in 1388 voor het eerst in een oorkonde vermeld. In de dalen van de Gottleuba, de Seidewitz en de Biela ontstonden in de vijftiende en zestiende eeuw talrijke hamersmederijen. Het principe was overal hetzelfde: een waterrad aan de beek dreef via een lange as zware hamers aan, die het gloeiende ijzer smeedden en van slakken bevrijdden. Daarnaast had men houtskool in enorme hoeveelheden nodig, die kolenbranders in de bossen maakten. En men had mensen nodig: mijnwerkers, hamersmeden, voerlieden, kolenbranders. Om dat allemaal te beheren en te belasten, richtte de landsheer in het jaar 1472 in Pirna een ijzerkamer in, een instantie die voor het hele ijzerdistrict van Pirna bevoegd was. Zij bestond tot 1686. Pirna was dus niet alleen handelsstad en centrum van steenhouwers, maar ook de hoofdstad van een vroeg industriegebied. Het Hammergut Neidberg, waar u verblijft, hoort precies bij deze geschiedenis. Het wordt in 1470 voor het eerst vermeld, als smedeberg, dus Schmiedeberg, genaamd der Neytbergk. In 1548 en nog in de achttiende eeuw staat het geregistreerd als Amtshammer – een hamersmederij onder toezicht van het Amt Pirna. In 1661 kreeg Neidberg een hoogoven en behoorde daarmee tot de hoogovenlocaties van het Pirnisch Eisen. De Biela, die vandaag zo vredig langs het huis stroomt, dreef toen de raderen aan, en het lawaai van de hamers was in het hele dal te horen. Het ijzer uit het district ging in de vorm van staafijzer, platen en gereedschap de handel in, een deel ook naar de wapensmeden. Het succes had zijn schaduwzijden: de hoogovens en hamers verslonden zoveel hout dat de bossen rondom kaal werden. Houtgebrek was in de achttiende eeuw een van de grootste problemen van de streek. Daarbij kwam de concurrentie van goedkoper ijzer uit andere streken, en in de negentiende eeuw verdrongen moderne hoogovens op steenkool de oude houtskoolhoogovens. De hamersmederijen in het Bielatal werden geleidelijk molens, zagerijen en ten slotte woonhuizen. Maar sporen zijn er nog altijd: de oude hoogoven Brausenstein in het dal, slakkenresten op de oevers, molenbeken en de namen van veel huizen. Als u er meer over wilt weten, vraag mij dan naar de geschiedenis van het Hammergut of van het Bielatal – er zijn nog veel verhalen, van de hamerheren tot de Otternkönig.

6. Johann Tetzel en de dominicanen

Rond het jaar 1465 werd in Pirna een jongen geboren wiens naam later in elk geschiedenisboek zou staan: Johann Tetzel. Hij was waarschijnlijk de zoon van een goudsmid; aan de Schmiedestraße staat het zogenoemde Tetzelhaus, dat als zijn geboortehuis geldt, ook al is dat niet helemaal zeker. Tetzel studeerde in Leipzig en trad daar in de dominicanenorde – dezelfde orde die ook in Pirna een klooster had. Hij was een begaafd, welbespraakt predikant, en de kerk zette hem in voor een bijzondere taak: het prediken van aflaten. Een aflaat was volgens de toenmalige leer een kwijtschelding van tijdelijke straffen voor zonden, dus van straffen die een ziel na de dood in het vagevuur moest uitboeten. Men kreeg die voor gebeden, bedevaarten, goede werken – en dus ook voor geld, dat in de kassen van de kerk vloeide. In het jaar 1517 trok Tetzel in opdracht van aartsbisschop Albrecht van Mainz door Midden-Duitsland en maakte reclame voor de grote Sint-Pietersaflaat, waarmee onder meer de nieuwbouw van de Sint-Pieter in Rome moest worden gefinancierd. Zijn preken waren drastisch: hij schilderde de kwellingen van de overledenen in het vagevuur uit en beloofde verlossing. Hem wordt de beroemde spreuk toegeschreven: “Zodra het geld in het kistje klinkt, de ziel uit het vagevuur springt.” Of hij het precies zo heeft gezegd, weten we niet – maar het raakte de kern van wat veel mensen aan deze handel verontwaardigde. Een van hen was een monnik en hoogleraar in Wittenberg: Maarten Luther. Toen mensen uit Wittenberg naar Tetzel gingen om aflaatbrieven te kopen en daarna meenden geen boete meer te hoeven doen, schreef Luther op 31 oktober 1517 zijn 95 stellingen tegen de aflaat. Daarmee begon de Reformatie, die Europa voorgoed veranderde. Tetzel verdedigde de aflaat in tegengeschriften, maar al snel werd hij het mikpunt van spot en zelfs door zijn eigen kerk laten vallen. Hij trok zich terug in het klooster in Leipzig en stierf daar in 1519, eenzaam en gebroken. Volgens de overlevering zou Luther hem kort voor zijn dood een troostende brief hebben geschreven. In Pirna herinnerde men zich de beroemdste zoon van de stad niet graag. In de stadskerk waren er na de Reformatie zelfs muurschilderingen die de aflaathandel bespotten; ze werden pas in het jaar 1708 overgekalkt. Vandaag gaat de stad rustiger met Tetzel om: het Tetzelhaus wordt als historisch gebouw getoond, en tijdens rondleidingen vertelt men zijn verhaal als deel van de grote geschiedenis van de Reformatie. Ook het dominicanenklooster in Pirna kwam al vóór de Reformatie onder kritiek te staan. Burgers en landsheren klaagden over de levenswandel van sommige monniken, en rond 1500 was er een lange ruzie tussen het klooster en een weduwe uit Pirna, die tot de kerkelijke ban leidde. Toen de Reformatie kwam, had het klooster in de stad nauwelijks nog steun. Hoe het zover kwam, vertel ik u in het volgende hoofdstuk.

7. De Reformatie komt naar Pirna

Hoewel Luther zijn stellingen in 1517 op slechts enkele dagreizen afstand had gepubliceerd, kwam de Reformatie pas ruim twintig jaar later naar Pirna. De reden was de landsheer: hertog Georg van Saksen, de Bebaarde genoemd, regeerde in Dresden en was een uitgesproken tegenstander van Luther. Zolang hij leefde, bleef het Albertijnse Saksen officieel katholiek, en wie zich tot de leer van Luther bekende, riskeerde problemen. Veel inwoners van Pirna sympathiseerden echter met de nieuwe ideeën. Al in 1511 had een predikant genaamd Johann Styel publiekelijk de prior van het klooster bekritiseerd. In 1537 zocht de stadsraad in het geheim in Wittenberg naar een protestantse dominee – voor de dag waarop de verhoudingen zouden veranderen. Tegelijkertijd werden monniken uit het opgeheven klooster Altzella in het klooster van Pirna ondergebracht, wat de spanningen niet kleiner maakte. Op 17 april 1539 stierf hertog Georg. Zijn broer en opvolger Heinrich de Vrome was protestants, en nu ging alles heel snel. De stad koos Anton Lauterbach uit Wittenberg tot dominee. Lauterbach was een naaste vertrouweling van Luther – hij behoorde tot de mannen die aan Luthers tafel zaten en diens gesprekken optekenden. Deze Tafelgesprekken zijn tot op heden een belangrijke bron over Luthers denken, en Lauterbach was een van hun ijverigste optekenaars. In juli 1539 kwamen visitatoren naar Pirna, dat wil zeggen afgezanten die het kerkelijk leven in de nieuwe geest ordenden. De Latijnse mis en de oorbiecht werden afgeschaft, het avondmaal werd onder beide gedaanten uitgereikt, dus met brood en wijn voor alle gelovigen. Op 25 juli 1539 doopte Lauterbach voor het eerst volgens de lutherse orde. Hij werd superintendent, dus leidinggevend geestelijke voor de hele omgeving, en bleef dat tot zijn dood in 1569 – dertig jaar waarin hij het kerkelijk leven in Pirna vormgaf. Voor het dominicanenklooster was dat het einde. In 1540 besloten de landstanden de kloostergoederen in beslag te nemen. De monniken mochten blijven, maar er kwamen geen nieuwe bij. In 1542 woonden er nog maar vier monniken in het klooster, in 1548 was de laatste gestorven of vertrokken. In 1552 verkocht men de gebouwen aan burgers van Pirna. De kloosterkerk diende daarna lange tijd wereldlijke doeleinden en werd pas in de twintigste eeuw weer een godshuis – sinds 1957 is zij weer een katholieke kerk. De Reformatie veranderde niet alleen de erediensten. Scholen werden opnieuw geordend; in 1555 ontstond in Pirna een meisjesschool, de Mägdleinschule aan de Kirchplatz, waarvan het gebouw nog steeds staat. Armenzorg en ziekenzorg, die vroeger door kloosters en broederschappen werden verzorgd, gingen over naar de stad. En de grote stadskerk, waaraan men nog als katholieke kerk was begonnen, werd nu als protestantse kerk voltooid – met een beeldprogramma waaraan Lauterbach zelf meewerkte. Daarover vertel ik u in het volgende hoofdstuk.

8. De Marienkirche – een hemel van steen

Wie in Pirna de stadskerk St. Marien binnenstapt, legt onwillekeurig het hoofd in de nek. Boven de ruimte spant zich een gewelf dat eruitziet als een stenen net, als ranken en takken die uit de pijlers groeien. De Marienkirche is een van de mooiste laatgotische kerken van Saksen, en ze vertelt veel over de rijkdom en de ambitie van de stad rond 1500. Er stond hier al in de dertiende eeuw een kerk. De toren werd van 1466 tot 1479 gebouwd; hij is ouder dan de huidige hal, en omdat men later de plannen veranderde, zitten delen van de toren vandaag binnen in de kerk. In het jaar 1502 begon de Pirnaer werkmeester Peter Ulrich, Peter von Pirna genoemd, met de nieuwbouw van een grote hallenkerk. In een hallenkerk zijn alle beuken even hoog, zodat er een wijde, lichte ruimte ontstaat. Peter Ulrich stierf in 1513 of 1514, en zijn opvolger Markus Ribisch bouwde verder, totdat rond 1523 het geld op was. Toen lag de bouwplaats meer dan tien jaar stil. Pas vanaf 1537 werd onder Wolf Blechschmidt verder gebouwd; het gewelf werd in 1544 en 1545 gesloten, en in 1546 was de kerk voltooid. Met 65 meter lengte en 35 meter breedte behoort ze na Görlitz en Annaberg-Buchholz tot de grootste hallenkerken van Saksen. Acht slanke, achthoekige pijlers dragen het gewelf. Boven het koor ziet u een visblaasgewelf, op andere plaatsen ribben die zich spiraalvormig winden of eruitzien als schaafkrullen, en zelfs ribben in de vorm van takken. Onder deze takribben verbergen zich twee stenen figuren, een Wildeman en een Wildevrouw – een kleine ontdekking voor oplettende bezoekers. Het bijzondere is echter de beschildering van het gewelf. Die ontstond in 1545 en 1546, dus precies in de tijd waarin de Reformatie in Pirna was ingevoerd. De schilders, onder wie waarschijnlijk Jobst Dorndorff, namen de houtsneden van de Lutherbijbel van 1532 als voorbeeld en schilderden bijbelse taferelen op het plafond, daarbij deugden, spelende kinderen en fabelwezens. De eerste protestantse dominee Anton Lauterbach werkte mee aan het beeldprogramma. Sommige afbeeldingen hebben een duidelijke boodschap: Luther en Melanchthon verschijnen als evangelisten, en wolven met bisschopsmijters staan voor het pausdom, zoals de reformatoren het zagen. Men kan het plafond dus ook lezen als een stenen en geschilderde belijdenis van de nieuwe leer. Prachtig is ook de inrichting. De kansel ontstond rond 1520. De doopvont van 1561 heeft een voet waaromheen zesentwintig kleine kinderfiguurtjes spelen, klimmen en stoeien – veel bezoekers blijven er glimlachend voor staan. Het grote altaar van zandsteen werd aan het begin van de zeventiende eeuw gemaakt door de broers Michael en David Schwenke; het is ongeveer tien meter hoog en toont in het midden de opstanding van Christus. De toren draagt een barokke spits. Tot in het begin van de twintigste eeuw woonde daarboven een torenwachter, die uitkeek naar brand en de uren blies; zijn woning kunt u vandaag bezichtigen. En sinds 1994 hangt in de toren het enige zevenstemmige klokkenspel van de Saksische Landeskirche. Als u in Pirna bent, neem dan de tijd voor deze kerk – en voor het uitzicht vanaf de toren over de daken van de oude binnenstad tot aan het Elbsandsteingebirge.

9. Festung Sonnenstein en de ellende van Pirna

Hoog boven de oude binnenstad troont het Schloss Sonnenstein. Van de middeleeuwse burcht maakte hertog Moritz van Saksen vanaf 1544 een moderne landsvesting, met bastions en wallen die de kanonnen van de nieuwe tijd moesten weerstaan. Al enkele jaren later moest ze zich bewijzen: in 1547, in de Schmalkaldische Oorlog, doorstond de Sonnenstein een belegering. In de zeventiende eeuw werd de vesting verder versterkt. Toen kwam de Dertigjarige Oorlog. Aanvankelijk bleef Pirna van gevechten gespaard, maar de oorlog kwam op een andere manier de stad binnen. In Bohemen liet de keizer na de overwinning op de protestantse standen de protestantse gelovigen voor de keuze stellen: katholiek worden of het land verlaten. Vele duizenden gingen in ballingschap, en het nabije, protestantse Saksen was de eerste bestemming. Rond 1629 woonden meer dan tweeduizend Boheemse geloofsvluchtelingen in Pirna, een enorm aantal voor een stad van deze omvang. Onder hen waren edelen, geestelijken, ambachtslieden en boeren. Ze brachten vaardigheden en contacten mee, maar ook nood, en de stad moest voor hen zorgen. De zwaarste klap kreeg Pirna in het jaar 1639. Saksen was in 1635 van kamp gewisseld en had vrede gesloten met de keizer – daarmee waren de Zweden, de vroegere bondgenoten, plotseling vijanden. Een Zweeds leger onder veldmaarschalk Johan Banér trok Saksen binnen. Op 23 april 1639 bestormden de Zweden de stad. Wat volgde, ging als de “ellende van Pirna” de geschiedenis in: plundering, geweld, marteling, branden. Ongeveer zeshonderd inwoners kwamen om het leven. De vesting op de Sonnenstein hield echter stand; de Zweden belegerden haar maandenlang tevergeefs. Eén man werd in deze tijd de held van de stad: de apotheker Theophilus Jacobäer. Hij onderhandelde met de bezetters en wist te bereiken dat de stad niet volledig werd platgebrand. Pirna vereert hem tot op heden als zijn redder, en een historisch volksspel vertelt zijn verhaal. Het hele verhaal van de ellende van Pirna met de bestorming, de belegering en de redder vertel ik u graag uitgebreid als u erom vraagt – het is een van de aangrijpendste hoofdstukken van de streek. Na de oorlog lag Pirna op de grond. Het inwonertal was sterk gedaald, veel huizen stonden leeg of waren verwoest, de stad zat diep in de schulden. De wederopbouw duurde tientallen jaren. De Festung Sonnenstein werd vanaf ongeveer 1670 volgens de nieuwste inzichten van de vestingbouwkunde verder uitgebouwd. Een overstroming van de Elbe in januari 1651, die de markt onder water zette, maakte het leven niet makkelijker. En nauwelijks was de stad hersteld, of de oorlogen van het begin van de achttiende eeuw, vooral de Grote Noordse Oorlog van August de Sterke, kostten weer veel geld: rond 1707 had Pirna meer dan honderdduizend daalders schuld. Maar de barokke tijd bracht ook glans in de stad – daarover in het volgende hoofdstuk.

10. Barok Pirna

vorstelijke bruiloft en Canaletto: In de nazomer van 1719 was Pirna enkele dagen het toneel van een van de grootste feesten die Saksen ooit heeft gezien. De keurprins Friedrich August, zoon van August de Sterke, was in Wenen getrouwd met de keizersdochter Maria Josepha. Het huwelijk moest de band tussen Saksen en het huis Habsburg bezegelen en de aanspraken van August versterken. Toen de bruid naar Saksen kwam, begonnen in Pirna de festiviteiten. Van hieruit voer het jonge paar in een prachtige gondel over de Elbe naar Dresden, begeleid door een hele vloot versierde schepen – een parade op het water, waarmee de wekenlange bruiloftsfeesten begonnen. In Dresden volgden vuurwerk, opera’s, jachtpartijen en toernooien die naar de planeten waren genoemd. In het jaar 2019, driehonderd jaar later, werd deze tocht van Pirna naar Dresden met historische gondels nagespeeld. Iets meer dan dertig jaar daarna kwam er een gast naar Pirna aan wie de stad haar beroemdste afbeelding te danken heeft. Bernardo Bellotto, de neef van de Venetiaanse schilder Canaletto en zelf onder deze naam bekend, was hofschilder in Dresden. In de jaren 1753 tot 1755 schilderde hij elf grote gezichten op Pirna en op de Sonnenstein. Hij toonde de stad met een nauwkeurigheid die men met een foto kan vergelijken: de huizen aan de markt met elk raam, de Marienkirche, de vesting op de rots, de Elbe met de schepen, de mensen bij hun bezigheden. Het beroemdste van deze schilderijen toont het marktplein van Pirna. Wanneer u vandaag op de markt staat, kunt u het schilderij bijna huis voor huis herkennen. Het gebouw aan de Markt 7, waarin vandaag het toeristenbureau zit, heet daarom Canalettohaus. Het stamt uit de eerste helft van de zestiende eeuw, heeft een hoge gevel van drie verdiepingen, gotisch maaswerk aan de ramen en binnen gotische muurschilderingen. De schilderijen van Bellotto hangen vandaag in Dresden in de Gemäldegalerie Alte Meister en in andere musea. In Pirna leidt een Canalettoweg naar de plekken van waaruit hij heeft geschilderd, en op borden kunt u het schilderij vergelijken met het huidige aanzicht. Het Pirna van de achttiende eeuw was geen rijke handelsstad meer zoals tweehonderd jaar eerder. De Elbehandel was afgenomen, het stapelrecht verloor aan betekenis, en de oorlogen hadden schulden achtergelaten. Daarvoor in de plaats kwamen nieuwe bedrijfstakken op. In de jaren 1750 begon men bovendien de stad uit te rusten met een ondergrondse rioolleiding, de zogenoemde Stadtschleuse, die uiteindelijk twee kilometer lang was – een opmerkelijke prestatie voor een kleine stad. In 1774 ontstonden de eerste manufacturen, katoendrukkerijen waarin katoenen stoffen werden bedrukt. Maar de vredige tijd die Bellotto zo vrolijk had geschilderd, was al voorbij toen hij zijn schilderijen voltooide: in de nazomer van 1756 stond het Pruisische leger voor de poorten, en op de plateaus boven Pirna begon een van de dramatischste hoofdstukken van de Saksische militaire geschiedenis.

11. Het kamp bij Pirna in 1756 en Napoleon in 1813

Eind augustus 1756 marcheerde de Pruisische koning Friedrich II zonder oorlogsverklaring Saksen binnen. Het Saksische leger was klein, ongeveer achttienduizend man, en had geen kans in een open veldslag. Daarom trok het zich terug in een natuurlijke vesting: op de Ebenheit tussen Pirna en Königstein, bij Struppen en Thürmsdorf, een hoogvlakte die aan drie kanten door steile rotsen en de Elbe wordt beschermd. De vestingen Sonnenstein en Königstein dekten de flanken. Daar, zo hoopte men, zou men het volhouden tot Oostenrijkse troepen te hulp zouden komen. Het kamp bij Pirna werd een val. De Pruisen sloten het in, en de voorraden reikten slechts voor enkele weken. De soldaten leden honger, de paarden stierven. Een Oostenrijks leger dat te hulp moest komen, werd bij Lobositz in Bohemen tegengehouden. In de nacht voor 13 oktober probeerden de Saksen via een schipbrug naar de andere oever van de Elbe uit te breken, maar in de regen en de modder onder aan de Lilienstein liep de poging vast. Op 14 oktober capituleerde de Festung Sonnenstein. Op 16 oktober 1756 gaf het hele leger zich over. Friedrich liet de Saksische soldaten gedwongen in Pruisische regimenten inlijven – een handelwijze die zelfs toen als ongehoord gold. Velen deserteerden bij de volgende gelegenheid en wisten zich naar de Oostenrijkers door te slaan. De Saksische koning August III mocht naar Polen vertrekken. Op de Ebenheit herinneren vandaag gedenkstenen aan het kamp. Twee jaar later, in 1758, belegerden Oostenrijkse en rijkstroepen het Pruisische garnizoen op de Sonnenstein, dat op 5 september capituleerde. Daarna werd de vesting geslecht, dat wil zeggen onbruikbaar gemaakt. Een halve eeuw later kwam de oorlog opnieuw naar Pirna, met de machtigste man van Europa. In het jaar 1813, na de mislukte veldtocht naar Rusland, vocht Napoleon in Saksen om zijn heerschappij. Pirna lag aan de weg naar Bohemen, vanwaar de legers van de geallieerden naderden. Napoleon verbleef in september 1813 zelf in Pirna en liet de Sonnenstein nog eenmaal als vesting inrichten. Voor de mensen daarboven was dat een catastrofe – daarover zo meteen meer. In de omgeving van Pirna, bij Kulm en Nollendorf aan de andere kant van de grens, werd in deze weken verbitterd gevochten, en ook door het Bielatal trokken soldaten en kozakken. Bij de Napoleonstein bij Langenhennersdorf, heel dicht bij u in de buurt, zou Napoleon zelf zijn geweest – de sage vertelt dat een kanonskogel hem daar op een haar na miste. In de herfst van 1813 bezocht overigens ook Johann Wolfgang von Goethe de stad. Na de Volkerenslag bij Leipzig in oktober 1813 was Napoleons heerschappij over Duitsland voorbij. Voor Pirna begon een rustiger tijd – en op de Sonnenstein een heel nieuw hoofdstuk, dat eigenlijk al in 1811 was begonnen.

13. Industriestad aan de Elbe

In de negentiende eeuw veranderde Pirna van een stil boerenstadje in een industriestad. Aan het begin stond het verkeer. In 1837 voeren de eerste stoomschepen op de Elbe, en op 31 juli 1848 werd de spoorlijn van Dresden naar Pirna geopend, kort daarna doorgetrokken door het Elbedal tot in Bohemen. Het classicistische station getuigde van het zelfbewustzijn van de stad. Voor het eerst kwamen nu ook dagjesmensen in groten getale: Pirna werd het vertrekpunt voor wandelingen in de Sächsische Schweiz. Politiek was het een bewogen tijd. In het revolutiejaar 1848 vertegenwoordigde de natuuronderzoeker Emil Adolf Roßmäßler het kiesdistrict Pirna in het eerste Duitse parlement in de Frankfurter Paulskirche. Toen in 1849 in Dresden de Meiopstand uitbrak, trokken ook burgers uit Pirna daarheen; een van hen werd door Pruisische soldaten gedood. De overstroming van de Elbe in maart 1845, de zogenoemde Saksische zondvloed, zette de oude binnenstad onder water. Toen kwamen de fabrieken. In 1862 werd een emailleerfabriek gebouwd, daarna volgden machinebouw, een glasblazerij, een cellulosefabriek en in 1909 een fabriek voor kunstzijde, die tientallen jaren een van de grootste werkgevers van de stad bleef. De zandsteengroeven leverden nog altijd stenen over de hele wereld, en op de Elbe dreven vrachtschuiten. In 1875 werd de eerste vaste Elbebrug in Pirna voltooid, een brug van zandsteen die Pirna verbond met Copitz aan de overkant. In 1859 brandde op de markt de eerste gaslantaarn, in 1861 werd het Stadtmuseum opgericht, in 1912 begon de openbare stroomvoorziening. Pirna werd bovendien garnizoensstad. Tussen 1887 en 1906 ontstonden grote kazernes, de Graue en de Rote Kaserne, en soldaten bepaalden het stadsbeeld. Het inwonertal groeide flink: rond 1800 woonden er ongeveer vijfduizend mensen in Pirna, in 1890 waren het er bijna veertienduizend. Door de annexaties van randgemeenten in de jaren 1922 en 1923, vooral van Copitz op de rechteroever van de Elbe, steeg het aantal tot meer dan dertigduizend. Vanaf 1924 was Pirna een districtsvrije stad. De arbeidersklasse was talrijk en politiek alert. In oktober 1923, in een tijd van grote nood en inflatie, sloeg de Reichswehr een staking neer; twee jonge arbeiders werden daarbij doodgeschoten. Een zware ramp bracht de overstroming van 1927, toen de Gottleuba en de Seidewitz na noodweer buiten hun oevers traden; alleen al in Neundorf stierven negen mensen, in totaal waren het er dertien. Vanaf 1928 reden de eerste stadsbussen. Pirna was in deze jaren een typische Saksische industriestad: bedrijvig, lawaaiig, met rokende schoorstenen aan de Elbe en een oude binnenstad die langzaam in de schaduw van de nieuwe wijken raakte. Over de zware jaren die nu volgden, vertel ik u in het laatste hoofdstuk.

14. Oorlog, DDR, Wende en overstroming

In maart 1933 behaalde de NSDAP in het gebied rond Pirna meer dan veertig procent van de stemmen. Al op 9 maart brandden er in de Breite Straße boeken, en de vervolging van politieke tegenstanders begon. In de pogromnacht in november 1938 werden ook in Pirna joodse winkels verwoest. Wat er in de jaren 1940 en 1941 op de Sonnenstein gebeurde, heb ik u verteld in het hoofdstuk over het dodingsinstituut. In het laatste oorlogsjaar kwamen de bommen. Op 19 april 1945 vielen bommenwerpers gericht de Elbebrug en de spoorwegemplacementen aan; meer dan tweehonderd mensen kwamen om. Op 8 mei 1945 trok het Rode Leger Pirna binnen. In totaal had de stad in de oorlog ongeveer drieduizendvijfhonderd doden te betreuren, de meesten van hen soldaten aan de fronten. De oude binnenstad was echter, anders dan in Dresden, grotendeels bewaard gebleven. Na de oorlog behoorde Pirna tot de Sovjet-bezettingszone en daarna tot de DDR. De grote bedrijven werden onteigend en werden volkseigen bedrijven, zoals de kunstzijdefabriek. In de buurt, bij Königstein, begon de Wismut met de winning van uranium, en duizenden arbeiders trokken naar de streek. Voor hen ontstond van 1965 tot 1983 op de hoogte boven de stad de grote nieuwbouwwijk Sonnenstein met flats van geprefabriceerde betonplaten. De oude binnenstad daarentegen raakte in verval. Voor het behoud van de oude huizen ontbraken geld en materiaal, veel stonden leeg, daken gingen lekken, sommige gebouwen moesten worden afgebroken. Eind jaren 1980 was de situatie dramatisch: een deel van de historische bebouwing leek verloren. De vreedzame revolutie van 1989 kwam net op tijd. Vanaf 1990 begon een omvangrijke restauratie, met subsidies, veel inzet van burgers en ambachtslieden die oude technieken opnieuw leerden. Huis voor huis werd gered. Vandaag geldt de oude binnenstad van Pirna als een van de mooiste ensembles van Saksen. In 1997 werd Pirna Große Kreisstadt, in 1999 werd de tweede Elbebrug in gebruik genomen, en in 2005 kreeg de stad aansluiting op de snelweg naar Praag. Sinds 2008 is Pirna de hoofdplaats van de Landkreis Sächsische Schweiz-Osterzgebirge – het districtsbestuur is deels gevestigd op de Sonnenstein. Maar de Elbe herinnerde de stad ook aan haar kracht. In augustus 2002 steeg de rivier tot een recordhoogte die alle eerdere overstromingen overtrof. De oude binnenstad stond meters hoog onder water, winkels, woningen en werkplaatsen werden verwoest, pas gerestaureerde huizen waren opnieuw beschadigd. In juni 2013 volgde de volgende grote overstroming. Aan veel huizen laten merktekens zien hoe hoog het water stond – het is de moeite waard daar tijdens uw wandeling op te letten. Pirna is er elke keer weer bovenop gekomen. Vandaag wonen hier ongeveer veertigduizend mensen. De oude binnenstad met haar zitnisportalen, de Marienkirche, het Canalettohaus en het uitzicht vanaf de Sonnenstein over de Elbe maken van Pirna een plek waar u bijna achthonderd jaar geschiedenis op enkele honderden meters kunt beleven. En voor u in het Bielatal is het heel dichtbij: nauwelijks twintig minuten met de auto of met de bus, die direct voor het huis stopt.

Stand: 10/2026

TOURsten

Vraag TOURsten verder

TOURsten vertelt u graag meer, vindt de juiste wandeling en plant samen met u uw vakantiedag – gratis en in zeven talen.

TOURsten vragen

← Alle onderwerpen